WIJNHUISTOREN     het carillon

 
Het carillon of beiaard brengt met haar klanken een sfeer van rust en gezelligheid teweeg. Gert Oldenbeuving (stadsbeiaardier sinds 1973) bespeelt het muziekinstrument dat met een omvang van drie of meer octaven een volwaardig en kompleet concertinstrument is. Met behulp van het stokkenklavier verzorgd hij concerten met alle mogelijke nuanceringen, van pianissimo tot fortissimo.
 

Als ergens op de wereld de beiaard tot volle ontplooiing kwam en tot een puur muziekinstrument werd, dan is dat wel in de Nederlanden geweest. Sinds het begin van de zestiende eeuw hebben de steden van de Lage Landen, rijk als ze waren, talloze klokkenspelen laten gieten. Een eeuw later werden de gebroeders François en Pieter Hemony die met hun klokkengieterij in ZUTPHEN zijn begonnen en later onder meer in Amsterdam werkzaam waren, beroemd door hun wonderschone scheppingen. Maar hun kunst ging verloren, totdat in onze tijd de herontdekking volgde. Er zijn volgens schattingen ongeveer 200 beiaards.  

 
Het gieten der klokken voor de Wijnhuistoren werd op 1 Augustus 1642 door de stedelijke overheid opgedragen aan de gebroeders Hemony die uit Lenoncourt in Lotharingen naar ons land waren gekomen. Zij hadden zich in Zutphen gevestigd. Hun werkplaats hadden zij in de Ysendoorn.
 
(François Hemoney: Lotharingse klokkengieter; broer van Pieter; geb. ca. 1609 (Levécourt, Lotharingen), gest. 1667 (Amsterdam); tot ca. 1641 Rijnland en Westfalen; ca. 1641-1657 te Zutphen; 1657-1667 te Amsterdam; vanaf 1655 stadsklokken- en geschutgieter van Amsterdam; compagnon van Pieter tot 1657 en 1664-1667).
 
Zij hebben daar eerst 19 klokken vervaardigd, welke in september 1644 gereed kwamen. Deze hadden een gewicht van 13.239 pond. De zwaarste woog 4082 en de lichtste klok 94 pond. Later kwam daar nog een 8-tal klokken bij. De gebroeders zouden 17 stuivers per pond uitbetaald krijgen maar hoeveel zij total hebben ontvangen is niet terug te vinden in de oude stadsrekeningen. Zij zouden ongeveer ƒ 11.000,00 hebben moeten ontvangen. Elke klok had in zijn randschrift zijn “geboortejaar” en de naam van de maker. De meesten droegen het jaartal 1644 of 1645; er waren enkele uit 1674 en 1677, een paar van 1731 en 1732 en één van 1872. De oudste waren verder versierd met het wapen van Zutphen op de mantel; verder bevatten ze lofwerk, engeltjes en druiventrossen, een mensenhoofd of een kinderkopje,  leeuwenkoppen of roofvogelkoppen, slingers enz. Vele vermeldden uitdrukkelijk: “Franciscvs et Pet. Hemony me f” een enkele met de toevoeging  “Amselodami”. Eén was in1824 gegoten; die droeg het opschrift: “P.I. Swaving, burgemeester van Zutphen. Petit en Fritsen me fuderunt Anno 1824”. Dit was de enige klok die niet meer intact was. Ook A.H. van Bergen te Heiligerlee heft in 1872 een der klokken gegoten, welke blijkbaar  heeft gediend ter vervanging van gebarsten voorgangers. Het klokkenspel van Hemony was in de zgn. “reine stemming” De toon van het nieuwe klokkenspel wat na de brand van 1920 werd geplaatst wijkt af van dat van Hemony.
 
Tot het ogenblik van de ramp in 1920 bevonden er zich 36 klokken.In een zgn “vliegende winkel” (winkel met allerlei licht brandbaar material) die zich naast het Wijnhuis in de Lange Hofstraat bevond, ontstond in de nacht van 26 op 27 januari 1920 een brand.
 
De brand sloeg over op de Wijnhuistoren, waarvan na een paar uur de koepel met daarin het carillon van de gebroeders Hemony naar beneden is gekomen. De toren is herbouwd met een gewapend betonnen binnenskelet, wat het brandbare eikenhoutenskelet heeft doen vervangen.
 
De Haagse architect Ir. S. de Clercq werd deze nieuwbouw opgedragen. Aan de firma Taylor & Co. te Loughborough werd de levering van van een carillon opgedragen en aan de firma Addicks & Co. te Amsterdam de levering van een uurwerk, slagwerk, speelwerk en klokkenstel, bij elkaar voor ƒ 39.300,00.

 uitladen van de klok aangekomen per stoomschip 'Daventria'

 

Het aantal klokken werd gelijk aan dat van het vrijwel volkomen vernield carillon der Hemoney’s die indertijd 27 van de 36 klokken hebben gegoten: een 6-tal werd later vervangen. Na de brand zijn op een aantal na de volkomen onbruikbare klokken als “klokkenspijs” aangeboden en heeft ƒ 4.300,00 opgebracht.  (Het verschil tussen de bruto aanneemsom van  ƒ 39.300,00  en het uiteindelijk door de raad betaalde bedrag van ƒ 35.000,00) Het museum bezit  6 klokken, een hangt er in het torentje van de Gereformeerde kerk aan de Oude Wand, (nu geen dienstdoende kerk meer).
 
Op het vervangende klokkenspel is op advies van de Klokken - en Orgelraad de zgn. “gestemperde stemming” toegepast. De grootste klok had een diameter van 1.52 m., de kleinste 15 cm.  Het carillon dat elke donderdag (marktdag) de zgn. “Boerendans” liet horen werde bespeeld met een handklavier. Vlak na de restauratie ging dat spleen met veel minder moeite gepaard. Maar toch – ieders werk bleek het nog niet te wezen. Door slagen van binnen tegen de klokken werd het carillon bespeeld terwijl het uurwerk aan de buitenkant hamerde.
 

Zaterdag 23 mei  1925 om 14.00 uur is de nieuwe toren met haar carillon ingewijd. Het nieuwe carillon omvat 3 ½ octaaf.

De grootste klok van de beiaard in de Wijnhuistoren de zogenaamde "BOURDON" is nog afkomstig uit de klokkengieterij van de gebroeders en stamt uit de periode dat ze nog in Zutphen actief waren.

In de oorlog is door de bezetter het Taylorcarillon uit 1925 gevorderd en uit de toren gehaald. De enige Hemonyklok is gebleven. In 1953 heeft Klokkengieterij van Bergen uit Heiligerlee op basis van die Hemonyklok en nieuw carillon gemaakt van vier octaven, c.q. 47 klokken.

Hoewel de handvaardigheid van het gieten van klokken kan bogen op een zeer oude en rijke traditie duurde het eeuwen voor er werkelijk aandacht kwam voor de toonverhoudingen in de klok. De luidklok gold immers sinds mensenheugenis als een geheel ongebonden en separaat instrument dat niet behoefde samen te klinken met andere instrumenten. Vandaar dat er nooit enige interesse is geweest voor de boventonen van de luidklok. Dat veranderde in de negentiende eeuw onder invloed van Duitse musici. De noodzakelijke kennis om de boventonen van de (luid)klok redelijk zuiver te maken, werd verkregen van beiaardgieters.

 

Joost van den Vondel schreef ooit een ode aan de broeders Hemony:

Ik verhef mijn toon in ‘t zingen

Aan den Aemstel en het Y

Op den geest van Hemony

D’eeuwige eer van Lotharingen,

Die ‘t gehoor verlekkren kon

Op zijn klokspijs, en zijn nooten

Ons zoo konstrijk toegegoten.